Wat doet de overheid tegen discriminatie?

Grondwet

De Grondwet is heel duidelijk over discriminatie. In artikel 1 van de Nederlandse Grondwet staat dat discriminatie verboden is:

‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.’

Artikel 1 van de Grondwet biedt een belangrijke basis voor de bestrijding van discriminatie. Het artikel geeft aan dat gelijke gevallen gelijk behandeld dienen te worden (gelijkheidsbeginsel) en dat discriminatie op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of welke grond dan ook niet is toegestaan (discriminatieverbod).

Strafrecht

Het strafrecht kent een aantal artikelen met betrekking tot discriminatie. Voor het strafrecht geldt dat de politie altijd eerst aangifte moet opnemen. Daarna beoordeelt het Openbaar Ministerie of er vervolgd gaat worden.

Als er vervolgd gaat worden volgt er een rechtszitting. De rechter kijkt of er voldoende bewijs is, of de zaak in het openbaar heeft plaatsgevonden (openbaarheidsvereiste), of dit met opzet was of per ongeluk (opzetvereiste) en houdt rekening met de vrijheid van meningsuiting. Aan strafrechtelijke procedures zijn voor het slachtoffer/melder geen kosten verbonden.

Zie ook Openbaar Ministerie – strafrecht

Algemene Wet Gelijke Behandeling

De Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB) is in feite een uitwerking van artikel 1 van de Grondwet. De AWGB verbiedt het maken van direct en indirect onderscheid op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, chronische ziekte/handicap, leeftijd, hetero- of homoseksuele gerichtheid en burgerlijke staat.

Zowel slachtoffers als belangenorganisaties kunnen mogelijke overtredingen van de AWGB voorleggen aan het College voor de Rechten van de Mens (CRM). Aan de procedure zijn geen kosten verbonden. De eisen met betrekking tot bewijslast zijn minder streng dan in het strafrecht. Bij een ‘redelijk vermoeden’ moet de andere partij aantonen dat zij geen verboden onderscheid heeft gemaakt.

Uitspraken van het CRM zijn echter niet bindend, evenmin kan het CRM straffen of boetes opleggen. Uit onderzoek blijkt dat het merendeel van de oordelen van het CRM wel door de partijen wordt opgevolgd. Ook kunnen uitspraken van het CRM helpen bij eventuele vervolgprocedures.

Zie ook College voor de Rechten van de Mens

DISCRIMINATIE
MELDEN?